Meta
francais english Wat is een weefgetouw en wat kan je ermee doen?
Home > Over weefgetouwen
Een weefgetouw is een toestel voor het weven van een weefsel. En weven is één manier waarop we een stuk textiel kunnen maken: dit kan ook gebeuren door te breien, te haken, te kantklossen.
Weven betekent het dooreenvlechten van kettingdraden en inslagdraden (schering en inslag)
De kettingdraden zijn de draden die op het weefgetouw, evenwijdig met elkaar, worden opgespannen. De inslagdraden zijn de draden die tussen die kettingdraden, en loodrecht erop, worden gevlochten. Dat gebeurt d.m.v. een weefspoel, waarop die inslagdraad gewonden is. Dat spoel kunnen we op en neer tussen de kettingdraden bewegen, maar op dit weefgetouw zijn het de kettingdraden die op en neer gaan, bv de even draden gaan naar boven en de oneven draden gaan naar beneden. Door die opening tussen even en oneven kettingdraden, die we gaap of sprong of vak(opening) noemen, kunnen we het spoel schuiven, zodat het aanbrengen van de inslag gemakkelijk en snel gaat.

Het op en neer bewegen van de kettingdraden gebeurt d.m.v. de schachten. Op een getouw zitten kaders van houten latjes en/of ijzeren staafjes, die in een positie onder en een positie boven kunnen vastgezet worden. Op die schachten zitten hevels die over de hele breedte van de schacht kunnen verschoven worden. Deze hevels zijn van polyester of ijzer, je kan er eventueel zelf bijmaken van een sterk katoengaren. In het midden van die hevels zit een oog, het heveloog. Elke kettingdraad gaat door een heveloog op één van de schachten.

Als we een schacht omhoog bewegen zullen alle kettingdraden, die door het oog gaan van één van de hevels die op deze schacht zitten, omhoog gaan.
Laten we er vanuit gaan dat je weefgetouw uitgerust is met 4 schachten.
We kunnen de eerste draad inrijgen door de eerste hevel van schacht 1, de tweede draad door de eerste hevel van schacht 2, de derde door de eerste hevel van schacht 3 en de vierde door de eerste hevel van schacht 4. De vijfde draad rijgen we dan weer door de tweede hevel van schacht 1, de zesde op de tweede hevel van schacht 2, de zevende op de tweede hevel van schacht 3 en de achtste op de tweede hevel van schacht 4. Met de negende draad beginnen we weer op schacht 1 enz.
Als we nu schacht 1 en schacht 3 omhoog bewegen zullen kettingdraad 1, 3 , 5 , 7 ,9 enz omhoog gaan, de andere draden blijven beneden. We maken nu een inslag (steek het weefspoel door de gaap), we zetten schacht 1 en 3 terug beneden en bewegen schacht 2 en 4 omhoog. De kettingdraden 2, 4, 6, 8 enz zullen naar boven gaan en we maken weer een inslag.
Als we deze twee inslagen steeds herhalen worden de kettingdraden en inslagdraden met elkaar verbonden tot een weefsel dat we linnenbinding noemen. Linnenbinding is een technische term die duidt op de 'binding' d.w.z. de manier waarop ketting en inslag door elkaar vlecht.
Als we de schachten op een andere manier bewegen dan in bovenstaand voorbeeld, dan krijgen we een ander vlechtwerk, een andere binding. Als we schacht 1 en 2 omhoog bewegen, dan zullen de kettingdraden 1, 2, 5, 6, 9, 10 enz omhoog gaan, we maken een inslag. Vervolgens maken we een tweede inslag met schacht 2 en 3 omhoog, een derde inslag met schacht 3 en 4 omhoog en een vierde inslag met schacht 1 en 4 omhoog. Daarna herhalen we steeds deze volgorde achter elkaar. Op deze manier krijgen we een weefsel met een struktuur die keperbinding heet.

Dit zijn maar twee voorbeelden van de vele mogelijkheden die we hebben.
In bovenstaand voorbeeld zijn de kettingdraden in opeenvolgende volgorde ingeregen (draad 1 op schacht 1, draad 2 op schacht 2, draad 3 op schacht 3, draad 4 op schacht 4 en dit steeds herhalen): dit noemen we een opeenvolgende doorhaling of inrijging.
Er bestaan tal van andere 'doorhalingen'. Als we bv de vijfde kettingdraad niet terug op schacht 1 doorhalen maar op schacht 3, draad 6 op schacht 2, en deze volgorde steeds herhalen, d.w.z. doorhalen op schacht 1, 2, 3, 4, 3, 2, 1, 2, 3, 4, 3, 2 enz, dan spreken we van een terugkerende doorhaling. Met deze doorhaling kunnen we dan weer andere soorten weefsels maken, zo zijn er tal van mogelijkheden (met meer schachten zijn er nog meer mogelijkheden). De doorhaling kunnen we niet veranderen tijdens het weven.

Voor elke opeenvolgende inslag zetten we 1, 2 of 3 schachten omhoog. De volgorde waarin dat gebeurt noemen we de inslagvolgorde of betrapping (bij een groot weefgetouw worden de schachten bedient door met de voeten op trappers te duwen). Deze betrapping is iets dat we tijdens het weven kunnen bepalen: we hebben daar ook weer vele mogelijkheden mee. Zo kunnen we met dezelfde opeenvolgende doorhaling zowel linnenbinding als keperbinding weven, door een andere inslagvolgorde te gebruiken (zie voorbeelden hierboven).

Als we een inslag maken, moet deze tegen de vorige inslag aangedrukt worden. Dat aandrukken kan zacht gebeuren (voor een luchtig weefsel, bv een sjaal) of het kan een stevig aankloppen zijn (wanneer we een vast weefsel willen hebben, bv een tapijtje).
Het aandrukken, dat we aanslaan noemen, doen we met de aanslagkam . Dat is een houten kader met een metalen kam , het riet, erin gevat. Die aanslagkam kunnen we met beide handen vastnemen en daarmee de inslag tegen de reeds geweven stof aandrukken.
Het riet bestaat uit metalen lamellen die op een bepaalde afstand van elkaar zitten. Er bestaan verschillende soorten rieten : een riet wordt aangeduid naar het aantal openingen dat het per cm telt (soms het aantal openingen per 10 cm). Een riet nr 4 (of 40/10) is een riet met 4 openingen per cm.
Zo'n riet dient niet enkel voor het aanslaan van de inslag, maar ook om de kettingdraden op gelijke afstand van elkaar te houden. Als we de kettingdraden op het weefgetouw opspannen, zullen de draden door de hevelogen gaan en, dichter bij de wever, door de openingen tussen de lamellen van het riet. We kunnen door elke opening een kettingdraad rijgen, of we kunnen meerdere draden door elke opening rijgen, of we kunnen ook na elke draad een opening overslaan.
De manier waarop we dit doen noemen we de rietrijging. Met een riet nr 4 kunnen we weven met 4 kettingdraden per cm, of met 8 draden per cm, of met 2 draden per cm. Zo kunnen we weven met een riet nr 5 met 5 of met 10 draden per cm, of met 5 draden om de 2 cm.
Hoeveel kettingdraden per cm we willen, hangt af van de dikte van de kettingdraad, of we een vast of los weefsel willen, welke weefbinding we gaan gebruiken, of de kettingdraad dan wel de inslagdraad het meeste zichtbaar moet zijn in het weefsel.

Voor we kunnen beginnen met weven, hebben we wel wat voorbereidingswerk.
We moeten eerst de ketting (schering) scheren: d.w.z. we gaan de kettindraden, voor we ze op het getouw kunnen opzetten, op lengte maken. Dat gebeurt met behulp van een scheerplank: een houten kader met houten tappen erop.
We gaan die kettingdraden niet één voor één op maat snijden, nee, we maken in feite een lange streng van kettingdraden. En om de juiste volgorde van de kettingdraden achteraf terug te vinden maken we een kruis in de ketting. Om en om laten we de kettingdraden met elkaar kruisen, en om dat kruis te bewaren nadat we de ketting van de scheerplank nemen, gebruiken we de kruislatten.

Vervolgens moeten we die bundel draden, de ketting , op het getouw opspannen. De ketting moet op de kettingboom opgeboomd worden : d.w.z. moet op de achterste rol van het weefgetouw opgerold worden. Door de lussen aan één uiteinde van de streng kettingdraden steken we een ijzeren staaf of houten lat: de roede. Die roede zit met touwen vast aan de kettingboom. De kettingdraden worden er mooi gespreid, met behulp van een verdeelkam: de effenaar. Met een lichte voorspanning wordt de ketting opgerold tot er nog zo'n 60 cm van de ketting overblijft: dan pas worden de lussen aan de uiteinden doorgesneden.
De kettingdraden worden dan 1 voor 1 doorgehaald door de hevels op de schachten en daarna door het riet. Tenslotte worden ze vastgebonden aan de tweede roede, die op zijn beurt vastzit aan de doekboom: de rol vooraan het getouw, waarop het weefsel, naarmate je het weeft, wordt opgewonden.

Na deze voorbereidingen kunnen we beginnen weven.