Meta
francais english Weven door de eeuwen heen
Home > Bindingen > Geschiedenis

1. De gewichtenweefstoel

Hier in Europa heeft men resten van weefsels gevonden in overblijfsels van paaldorpen die dateren uit de ijstijd.
Deze weefsels werden geweven op een gewichtenweefstoel. Hierbij zijn de kettingdraden vastgemaakt aan een horizontale balk, zo'n anderhalve meter boven de grond. Vandaar hangen de draden naar beneden, verzwaard met gewichten (stenen). De pare draden hangen recht neer beneden, de onpare drdaen hangen schuin naar voor over een tweede balk (een halve meter boven de grond).
Zo wordt een 'natuurlijke sprong' gevormd, waardoor een eerste inslag kan. Voor de tweede inslag wordt een 'tegensprong' gevormd door de ophaler naar voor te trekken. De ophaler is een lat waaraan lussen zitten die tussen de onpare draden lopen en waardoor de achterliggende pare draden lopen. Voor iedere pare draad is er een lus.
De inslag moet naar boven toe aangeslagen worden met een houten zwaard, een plank met één dunne kant van ongeveer 60 tot 70 cm lang.

gewichtenweefstoel gewichtenweefstoel

2. Het roller-ophaler getouw

In Egypte zijn afbeeldingen van dit soort toestel gevonden, die dateren van 3000 jaar v.C. en later. In heel de wereld werd, en wordt nog steeds, geweven met dit soort getouw, ook in Amerika door de indianen.
De kettingdraden worden hierbij opgespannen tussen 2 horizontale balken. Dikwijls is dat een rondgaande ketting. De ketting is dan 2 x zo lang als de afstand tussen de twee balken. Die balken kunnen met paaltjes in de grond vastgezet zijn (een horizontaal grondgetouw). Ze kunnen ook d.m.v. vertikale balken vastgemaakt zijn, zodat de ketting vertikaal staat. Dit systeem vinden we terug in de huidige 'haute-lisse', waarop legwerk (gobelin) wordt geweven.
Daarnaast hebben we ook nog het heupgordelgetouw of lendegetouw, waarbij de kettingboom (de balk waarop de ketting gewonden is) is bevestigd aan de grond, of aan eender welk obstakel. De doekboom (de balk waarop de geweven stof gewonden is) wordt bevestigd met een gordel rond de heupen. Als de wever achteruit leunt zal de spanning op de kettingdraden toenemen.
Ook bij de andere getouwen is er een systeem voorzien om de spanning te regelen. Dit door middel van touwen, die aangespannen kunnen worden, of doordat doek- en kettingboom opgerold en vastgezet kunnen worden met een stok of palwiel.
Het karakteristieke aan het roller-ophaler getouw is natuurlijk de roller en de ophaler, die samen het systeem vormen om een sprong en tegensprong te vormen.
De roller (deelstok) is een ronde of platte stok die tussen de kettingdraden zit, de onpare draden erboven, de pare draden eronder. Op deze manier krijgen we al een sprong waardoor we een inslag kunnen aanbrengen. De ophaler (lussenstok) is een stok met lussen, die tussen de onpare draden lopen en verbonden zijn met de pare draden. Als we deze ophaler omhoog trekken (bij een horizontaal getouw) of naar voor trekken (bij een vertikaal getouw) dan komen de pare draden naar boven (naar voor) tussen de onpare draden door. Zo kunnen we een tweede inslag maken net zoals bij de gewichtenweefstoel. Dikwijls is een steun voorzien, waarop de ophaler in getrokken stand kan rusten, zodat we beide handen vrij hebben om de inslag te maken.
Het aanslaan gebeurt weer met een 'zwaard'. Die wordt in de sprong ingebracht, en met kloppende bewegingen wordt de inslag tegen de weefselrand gedrukt.

ophalergaap roller ophalergetouw

van lus tot hevel

3. Het trapweefstoel

In plaats van een roller kan ook een tweede ophaler gebruikt worden: de lussen daarvan worden dan verbonden met de onpare draden (de lussen van de andere ophaler met de pare draden). Door de twee ophalers beurtelings omhoog te trekken kunnen we weven.
Zo'n ophalers zijn geëvolueerd tot schachten .
Elke kettingdraad gaat door een lus verbonden met een stok boven de ketting (zoals een ophaler). Dezelfde draad én lus kunnen nog eens verbonden zijn met een stok onder de kettingdraden d.m.v. een andere lus. Zo krijgen we een 'schacht'. Nu kunnen de onpare kettingdraden (met één schacht) naar boven getrokken worden en de pare draden (met een tweede schacht) naar onder, of vice versa.
Zo zal de sprong veel groter zijn, en de spanning op de kettingdraden boven en onder zal gelijk zijn. Later zijn die lussen dan vervangen door hevels , in katoen of vlas, soms met een metalen oogje, nog later door volledig metalen hevels.
Zo'n twee schachten kunnen aan elkaar vastgemaakt worden met een touw, dat boven de schachten over een rol of katrol gaat. De schachten houden elkaar in evenwicht. Onderaan kan elke schacht met een trapper verbonden worden. Als we een trapper induwen, gaat de ene schacht naar beneden en de andere naar boven.
In China is een voorstelling van een trapweefstoel teruggevonden die dateert van 200 jaar v.C. In Europa zou dit soort weefgetouw sinds het jaar 1000 in gebruik zijn.
In de loop der eeuwen werd het weefriet ontwikkeld, een kam die bestaat uit naast elkaar geplaatste, vertikale spijltjes in riet van ± 10 cm lang. De kam zelf moet minstens even lang zijn als de breedte van de te weven stof. Tussen de rieten spijltjes lopen de kettingdraden. Het riet dient om de kettingdraden regelmatig te spreiden en om de inslag tegen de weefselrand te drukken. Verder nog als geleiding van het spoel met inslag, vooral nodig bij gebruik van een schietspoel, een uitvinding die dateert van de achttiende eeuw.

oud trapweefgetouw oude prent van weefgetouw