Meta
francais english Een weefgetouw weefklaar maken
Home > Bindingen > Schering maken

1. Het scheren van een ketting

Weefsels zijn stoffen die bekomen worden door het dooreenvlechten van inslagdraden en kettingdraden.
De schering of ketting is het geheel van de kettingdraden (de draden die opgespannen worden op het weefgetouw).
Als we weten welk garen we als ketting gaan gebruiken, hoe breed en hoe lang het weefsel moet worden, moeten we ook nog weten hoe dicht bij elkaar de kettingdraden moeten liggen: de kettingdichtheid (aantal draden per cm). Daartoe kunnen we een proeflapje op een kartonnetje of weefraam weven. Denk eraan dat je zo'n klein weefseltje vaster kan aanslaan dan een breed weefsel op een getouw. Een eenvoudig hulpmiddeltje is ook het volgende. Draai de kettingdraad rond een meetlat, zodat de windingen van de draad vlak tegen elkaar liggen zonder aan te drukken. Tel het aantal windingen per cm. Neem hiervan 60 à 70 % als kettingdichtheid voor een gewone linnenbinding. Voor een keperbinding mag dat iets meer zijn. scheerplank

Nu moeten we de ketting gaan scheren op een scheerplank of scheermolen. We maken eigenlijk een lange streng kettingdraden. Een scheerplank bestaat uit een kader (of plaat) met houten tappen (± 15 cm lang). Soms zijn deze tappen vast; soms zijn ze verstelbaar. Welke tappen we juist gebruiken om de draden te leiden speelt geen rol, als we maar ongeveer de juiste lengte ketting bekomen.
Maak om te beginnen een lus in de draad en haak hem over tap 1. Leidt de draad rechts van tap 2, links van tap 3 en keer om bij tap 4 en leidt de draad langs tap 5, 6 en 7 (of meer tappen voor een langere ketting). Vervolgens links van tap 8, rechts van tap 9 en keer terug bij tap 10. Van tap 1 tot tap 10 is de lengte van 1 kettingdraad.
Tussen tap 2 en tap 3 komt het enkelvoudig kruis: bij het terugkeren zal de kettingdraad rechts van tap 3 gaan en links van tap 2, zodat daar de onpare en pare kettingdraden elkaar kruisen. In dit kruis kunnen we steeds de volgorde van de kettingdraden terugvinden. Op het weefgetouw wordt dit kruis bewaard d.m.v. de kruislatten.
Tussen tap 8 en tap 9 komt het meervoudig kruis: hier zullen bundeltjes van draden kruisen. Het aantal draden per bundeltje hangt af van de kettingdichtheid, het bundeltje zal zoveel draden tellen als het benodigde aantal draden per cm. Hebben we bv. 6 draden per cm nodig, dan zullen de eerste 6 draden links van 8 en rechts van 9 lopen en de volgende 6 draden rechts van 8 en links van 9. Zo krijgen we een kruis dat we zullen gebruiken om de kettingdraden regelmatig te spreiden op de kettingboom d.m.v. een effenaar of evenaar (zie verder).

2. Afhalen van de scheerplank

We maken niet de gehele ketting ineens, maar in stukken van ongeveer 20 cm. Als je zo 1 stuk 'geschoren' hebt, moet alles zorgvuldig afgebonden worden: d.w.z. het begin, het einde en de twee kruisen, en verder moeten we tussenin een aantal keer strak afbinden zodat de kettingdraden niet kunnen verschuiven t.o.v. elkaar.
Dan halen we de ketting van de scheerplank te beginnen bij tap 1. We maken met de handen van deze streng een ketting in kettingsteek (vandaar de naam, zie foto) zodat de draden niet in de war kunnen raken. Begin de ketting in elkaar te haken bij het enkelvoudig kruis, of als er alleen een enkelvoudig kruis in je ketting zit, begin dan met het einde zonder kruis. Op deze manier kunnen we, bij het opbomen op het getouw, beginnen met het meervoudig kruis (of het enkelvoudig als er geen meervoudig is) bij het terug uit elkaar halen van de ketting.
Daarna scheren we een tweede stuk ketting, natuurlijk op dezelfde manier, langs dezelfde tappen.
Best wordt de ketting door één persoon geschoren. Zeer belangrijk is dat de kettingdraden alle met een gelijke spanning worden geschoren, niet te slap maar evenmin met te grote spanning.
Als we met verschillende kleuren werken, kunnen we de ene kleur kettingdraad afbreken en er de volgende aan knopen ter hoogte van tap 1 of tap 10.
Er kan ook met verschillende draden tergelijkertijd geschoren worden, gebruikelijk is dan met het aantal draden dat we per cm nodig hebben. Als je veel draden moet scheren gaat dat sneller, maar het vergt wel wat ervaring. Je hebt dan een klossenrek nodig met het benodigde aantal klossen (gelijk aan aantal draden per cm in je schering) en een haspelplankje dat je in je hand houdt en waarin de verschillende draden in een vaste volgorde zitten.

3. Het opbomen van de ketting

Als de ketting geschoren is, moet deze op de kettingboom van het getouw opgewonden worden, dat noemen we opbomen.
De effenaar (evenaar of leeskam) is een houten balkje met nagels of tapjes om de cm, deze dient om de ketting regelmatig over de kettingboom te spreiden tijdens het opbomen van de ketting. De effenaar wordt op de strijkboom van het weefgetouw bevestigd met touw of lijmklemmen. De bundels kettingdraden worden klaar gelegd, het einde met het meervoudig kruis komt op de effenaar te liggen, het andere einde hangen we over de borstboom (voorkant van het getouw).
de lussen (daar waar tap 10 van de scheerplank zat) van de bundels kettingdraden schuiven we op een houten of metalen roede, welke naderhand aan de kettingboom bevestigd moet worden.
De bundels moeten in de juiste volgorde liggen (belangrijk als we met verschillende kleuren in de ketting werken). Verbindt met een touw de twee uiteinden van de roede met elkaar of of met de kettingboom of de strijkboom, zodat de lussen er niet kunnen afschuiven. Daarna kunnen de afbindingen van de lussen losgemaakt worden zodat deze kunnen gespreid worden over de breedte van het getouw.
Steek 2 kruislatten door het meervoudig kruis (daar waar tap 8 en 9 zaten) van de verschillende bundels ketting. Als de kruislatten met elkaar verbonden zijn, kunnen ook de afbindingen van de kruisen losgemaakt worden.

Dan kunnen we beginnen met de kettingdraden te verdelen over de effenaar. Deze heeft onderverdelingen om de cm. Omdat het meervoudig kruis zo gemaakt is dat de kettingdraden samen liggen in bundeltjes ter grootte van het aantal draden per cm in het weefsel dat we gaan maken, is het zeer gemakkelijk deze bundeltjes in de onderverdelingen van de effenaar te leggen. Zorg ervoor dat de ketting mooi in het midden van het getouw komt te liggen.
Als alle draden in de effenaar liggen, kan het deksel erop, of bij gebrek daaraan kan er een lat tegen gebonden worden die belet dat de draden kunnen verspringen tussen de verdelingen.
Na een controle van de verdeling kunnen de kruislatten uit het meervoudig kruis getrokken worden.

Trek nu aan de ketting zodat de roede tot tegen de effenaar komt en zorg dat de lussen over de roede gespreid zijn zoals in de effenaar. Trek even aan de bundels kettingdraad vlak voorbij de eerste afbinding, zodat de kettingdraden mooi strak staan. Daarna verbinden we met touw de roede mooi evenwijdig met de kettingboom. Als er een groef in de kettingboom voorzien is, kunnen we de roede ook in de groef leggen, een touw langs weerszijden rond de kettingboom kan de roede dan op zijn plaats houden.

kettingdraden rond roede kettingdraden rond roede opbomen op kettingboom
Dan kan het opbomen beginnen. Gemakkelijkst gaat dat met meerdere personen. Eén persoon draait de kettingboom op en een tweede of meerdere personen houden de bundels kettingdraden strak. Bij gebrek aan hulp kunnen de bundels strak gehouden worden met gewichten. De afbindingen rond de bundels moeten steeds minstens een halve tot een hele meter vóór de effenaar losgemaakt zijn.
Windt een paar toeren op, maak dan de volgende afbindingen los. Daarna kunnen de hulppersonen de ketting herpakken, of kunnen de gewichten wat verder aan de ketting vastgemaakt worden.
Het kan nuttig zijn af en toe houten latjes (die iets langer zijn dan de breedte van de ketting) tussen de kettingdraden op de kettingboom te leggen, en ingeval de roede via touwen aan de kettingboom is bevestigd, moet dit ook reeds in het begin gebeuren. Bedoeling hiervan is om te vermijden dat er dunnere en dikkere gedeelten op de opgeboomde kettingboom ontstaan, die later aanleiding geven tot ongelijke spanning tussen de kettingdraden.
Tijdens heel het proces van het opbomen is het de bedoeling dat de kettingdraden in een bundel niet verschuiven t.o.v. elkaar. Zorg natuurlijk ook dat alle bundels even strak gehouden worden tijdens het opbomen..
De laatste meter van de ketting moet niet opgeboomd worden.


4. Het inrijgen van de schachten

hevelrijgen Iedere kettingdraad moet afzonderlijk ingeregen worden in een hevel. Dit is een soort lus in katoen, metaal of polyester. Deze hevels worden gegroepeerd op schachten. Dat zijn kaders waarop die hevels op een rij geschoven worden. Als een schacht omhoog of omlaag getrokken wordt, gaan alle kettingdraden die in de hevels die op die schacht doorgehaald zijn, mee bewegen.

Steek de kruislatten door het enkelvoudig kruis van alle bundels kettingdraden (daar waar tap 1 en 3 zat). Knip de lussen aan het begin van de ketting door (daar waar tap 1 zat) en knoop de eindjes kettinggaren weer samen in bundeltjes.
Daarna kunnen alle resterende afbindingen verwijderd worden. Hang de kruislatten op achter de schachten, of zorg dat ze links en rechts op een lat rusten, ter hoogte van de heveloogjes van de hevels op de schachten. Installeer jezelf voor de schachten zodat je redelijk comfortabel kunt zitten. Verzeker jezelf ervan of er genoeg hevels op de schachten zitten, of als er teveel op zitten, verdeel die dan links en rechts op de uiteinden van de schachten.
Begin dan met doorhalen, voor de rechtshandigen best aan de rechterkant.
Zorg dat je systematisch werkt zodat controle op fouten gemakkelijk is.
Stel dat we een ketting hebben met 6 draden per cm, d.w.z. 6 draden per onderverdeling in de effenaar, en een weefgetouw met 4 schachten waarin we een gewone opeenvolgende doorhaling willen. Schuif de hevels uit de weg naar links (behalve de overtollige die rechts op het uiteinde van de schachten zitten). Schuif dan op elke schacht 3 hevels naar rechts zodat ze recht voor je klaar staan.
Neem dan een bundel kettingdraden van de rechterkant, ter breedte van bv. 5 cm, doe de lus eruit en steek die bundel door de schachten, links van de hevels die klaar staan, en bind met een touw d.m.v. een stropje de bundel kettingdraden aan het getouw of aan een gewicht, zodat de kettingdraden strak staan.
Schuif dan met je rechterhand de meest rechtse hevel van de eerste schacht nog een beetje opzij en steek de hevelhaak door het heveloogje. Met je linkerhand, die door of onder de schachten steekt, neem je de eerste kettingdraad en trek je die een beetje los uit het bundeltje kettingdraden. De volgorde van de draden kan je zien in het dradenkruis tussen de kruislatten.
Trek de draad vervolgens met het haakje door het heveloog, en schuif die hevel nog verder naar rechts. Dan volgt een tweede kettingdraad die doorgehaald wordt door een hevel op schacht 2, de derde kettingdraad op schacht 3 en de vierde op schacht 4. Herhaal deze handeling nog 2 keer met de volgende 8 kettingdraden. Dan moeten alle klaarstaande hevels op zijn, en moeten er juist 2 cm kettingdraden gebruikt zijn (2 onderverdelingen van de effenaar). Als dat niet het geval is, controleer de doorhaling dan terug en corrigeer eventueel.
Bind de doorgehaalde draden samen met een lus. Is de lengte van de kettingdraden te lang of te kort om comfortabel door te halen, wind de kettingboom dan op of af. Daarna maak je de bundel kettingdraden los, zet je 12 nieuwe hevels klaar, maak je de bundel links ervan terug vast en haal je de draden weer door, enz ...
Pas aan volgens de kettingdichtheid en de doorhaling die je gebruikt. Verdeel de doorhaling in stukjes die makkelijk controleerbaar zijn op fouten.

5. Het doorhalen van het riet

rietrijgen Het riet is een kam, een kader met spijltjes waartussen de kettingdraden moeten lopen. Oorspronkelijk waren deze spijltjes van riet gemaakt, tegenwoordig zijn deze in metaal. Afhankelijk van de kettingdichtheid heb je een ander riet nodig. Er bestaan rieten met 2, 3, 5, 6, tot max 14 spijltjes per cm. Vanaf een kettingdichtheid van ± 8 draden per cm kan je beter meerdere draden per rietopening steken, bv. voor 10 draden per cm gebruik je een riet 5 met 2 draden per opening.

Om de kettingdraden door het riet te halen kan je het riet op zijn plaats in de aanslag zetten, of, wat handiger is, kan je het riet plat voor de schachten leggen, bv. op 2 latten.
Meet op het riet na hoe breed het weefsel wordt, en hoeveel vrije ruimte je langs weerskanten hebt. De ketting moet mooi in het midden van het riet zitten.
Begin bv. aan de rechterkant. Steek de riethaak met je rechterhand van onder naar boven door het riet, daar waar de rechterboord van het weefsel komt. Neem met je linkerhand de eerste kettingdraad (in bovenstaand voorbeeld zit die op schacht 1) of meer draden als er meer door 1 rietopening moeten, en trek ze met de haak door het riet. Daarna de volgende kettingdraad (die dan op schacht 2 zit) door de tweede rietopening enz ... De volgorde van de draden door het riet moet natuurlijk dezelfde zijn als die waarin de draden door de hevels gehaald zijn.
Gemakkelijker is om even met beide handen een aantal draden (of groepjes van draden als er meer dan 1 draad door elke riettand moet) in volgorde klaar te leggen en ze vervolgens door het riet te trekken, terug een aantal draden klaarleggen en dan doorhalen, enz ...
Controleer af en toe met een meetlat of de doorgehaalde breedte op het riet overeenkomt met de kettingbreedte in de effenaar.
Bind regelmatig de doorgehaalde kettingdraden weer samen met een lus, om te beletten dat je opnieuw zou moeten beginnen (bv. als het weefriet valt). Is heel de ketting doorgehaald, steek het riet dan terug in de aanslag.

6. Het aanbinden van de kettingdraden

aanbinden vooraan aanbinden vooraan aanknopen kettingdraden
Neem de houten of metalen roede en verbind die met touwen met de doekboom (zo dit al niet het geval is), via knieboom (enkel bij grote getouwen) en borstboom tot halverwege tussen borstboom en riet.
Als de kettingdraden niet lang genoeg zijn om ze aan de roede te binden, wind de kettingboom dan een beetje af.
Neem een bundeltje kettingdraden in het midden van de ketting ter breedte van 2 á 4 cm, trek eraan en strijk er met de handen over zodat alle draden even strak liggen. Splits het bundeltje draden in een linker en een rechter helft, leg die rond de roede en knoop de twee helften samen bovenop het bundeltje met een enkele knoop.
Knoop zo aan de linkerkant van het getouw een bundeltje draden aan, dan aan de rechterkant, dan links en rechts van het midden. Ga zo systematisch door, links, rechts, rond het midden, tot de hele ketting aangeknoopt is.
Zorg voor gelijkmatige spanning. Denk eraan dat naarmate je meer aanknoopt, de eerder aangeknoopte draden een beetje ontspannen. Verhelp dit door af en toe de doekboom een beetje aan te draaien.

Dan volgt de controle. Schuif de kruislatten achteruit. Hangen er kettingdraden los? Duw een trapper in, of haal één of meerdere schachten op; en kijk van opzij in de gaap (opening tussen onder- en bovengarenlaag). Blijven er draden hangen? Het kan zijn dat er draden per ongeluk rond elkaar gedraaid zijn tussen de hevels, dat ze kruisen tussen riet en schachten of dat een draad niet door een hevel gehaald is. Maak op die plaatsen het bundeltje kettingdraden terug los en corrigeer.
Indien nodig, kan je een hevel bijknopen. Neem een eindje sterk garen van ± 80 cm, leg het rond de onderste lat van de juiste schacht en trek de 2 eindjes naar boven gelijk. Maak dan een platte knoop ter hoogte van de onderkant van de heveloogjes van de hevels van dezelfde schacht. Zorg dat de kettingdraad, die je had vergeten door te halen, tussen de 2 eindjes garen zit en maak een tweede platte knoop ter hoogte van de bovenkant van de andere heveloogjes. Bind dan de 2 eindjes samen rond de bovenste schachtlat.

Het weven kan beginnen. Begin met een linnenbinding (1 op, 1 neer tussen de kettingdraden) als de doorhaling dat mogelijk maakt. Je ziet dadelijk na een tiental inslagen, dat de kettingdraden zich mooi spreiden, ondanks het feit dat ze in bundeltjes aan de roede zijn geknoopt.
Zitten er nog fouten in?
Twee draden naast elkaar die samen werken. Ligt de fout bij de doorhaling? Knip eventueel 1 van de 2 kettingdraden er tussen uit.
Drie draden naast elkaar die samen werken. Waarschijnlijk is de middenste op de verkeerde schacht doorgehaald. is dit het geval, knoop dan een hevel op de juiste schacht en corrigeer de doorhaling.
Een rietstreep (kettingdraden liggen plaatselijk dichter bij elkaar of verder vaneen) in het weefsel: er gaan te veel of te weinig kettingdraden door 1 riettand. Verdeel dan de kettingdraden ernaast over de riettanden, zodat het minder opvalt (dat werkt alleen als je een rietrijging hebt met 2 draden per tand of meer).
Doen deze fouten zich voor dichtbij de zijkant van het weefsel, dan kan je de doorhaling herdoen vanaf de fout tot de zelfkant.

Trek nu alle bundeltjes kettingdraden nog even aan en leg een tweede knoop op de verbinding met de aanbindroede.
Nu kan je beginnen weven.