Meta
francais english Schering en inslag
Home > Bindingen

1. Over bindingen en weefpatronen

Weefsels zijn stoffen die bekomen worden door het dooreenvlechten van inslagdraden en kettingdraden.
Kettingdraden zijn draden die opgespannen worden op het weefgetouw.
Inslagdraden zijn de draden die loodrecht op de kettingdraden lopen en die we op en neer tussen de kettingdraden vlechten.
monnikenrand kraanoog schijnpatroon
samiet herdersweefsel kantweefsel

Dat dooreenvlechten van ketting- en inslagdraden kan op zeer vele wijzen gebeuren, we doen dit niet willekeurig maar volgens bepaalde wetmatigheden. De binding van een weefsel is de wijze waarop de draden ervan dooreen gevlochten zijn.
Als je als wever een weefsel wil maken, dan kies je ketting- en inslagdraden: welke grondstof, kleur en dikte. Je kiest hoe dicht de draden bij elkaar moeten liggen ('kettingdichtheid' uitgedrukt in draden per cm). Dan kan je de kettingdraden scheren en op het weefgetouw opspannen.
Als je de draden dan gewoon opeenvolgend op 4 (of op 2) schachten doorhaalt en je beweegt tijdens het weven afwisselend de pare en onpare schachten, dan krijg je een gewoon rechttoe rechtaan weefsel. Je maakt dan een weefsel in de eenvoudigste 'binding': nl linnenbinding. D.w.z. de inslag gaat afwisselend over een kettingdraad en onder een kettingdraad,en de tweede inslag werkt tegenovergesteld t.o.v. de eerste.
Met 4 schachten op een weefgetouw kan je de kettingdraden in een andere volgorde doorhalen, kan je de schachten in een andere volgorde bewegen tijdens het weven. In combinatie met gekleurde draden in ketting en/of in inslag zijn er zeer vele mogelijke weefbindingen en weefpatronen te maken.
Hoe meer schachten op een weefgetouw, hoe meer mogelijkheden.
Welke binding we in een weefsel gebruiken, zal afhangen van de eisen die eraan gesteld worden. De binding beïnvloedt de eigenschappen van een weefsel.
- moet de stof soepel zijn of moet het een stijve, vaste stof zijn
- moet het een slijtvaste stof zijn
- moet de stof versiert zin met patronen
Vanzelfsprekend is de binding maar één van de faktoren die het uitzicht en andere eigenschappen van een weefsel bepaalt. Het soort garen dat gebruikt wordt, de kleur ervan, de dichtheid van de draden (hoe dicht liggen ketting- en inslagdraden tegen elkaar), de nabehandeling van de stof, bepalen in grote mate de eigenschappen en het uitzicht van de stof.

Om weefbindingen te bestuderen, moeten we ze kunnen optekenen.
Daarvoor gebruiken we een schema van de binding: de bindingstekening.
Deze tekening geeft zelden een reëel beeld van het uitzicht van het weefsel: het geeft wel aan hoe de kettingdraden kruisen met de inslagdraden. Dit is informatie die we nodig hebben voor de keuze van het weefgetouw, voor het opspannen van de kettingdraden en voor het kiezen van de juiste schachten tijdens het weven.
De bindingstekening geeft meestal geen beeld van de kleuren, de dikte en de dichtheid van de draden.
Als je een handboek over weven neemt, krijg je soms volledige bindingstekeningen te zien, maar in ieder geval wel de aanwijzigingen voor doorhaling en betrapping.
Die geven aan hoeveel schachten je nodig hebt, hoe de kettingdraden in de heveltjes van de schachten moeten doorgehaald worden en welke trappers of hefbomen tijdens het weven moeten gebruikt worden: m.a.w. essentiële informatie om te kunnen weven.

linnenbinding binding

2. De bindingstekening

Een bindingstekening maken we op ruitjespapier. De tekening stelt een stuk van het weefsel voor, meestal het gedeelte van het weefsel dat zich herhaald in de lengte en de breedte van het weefsel.
De ruimte tussen 2 vertikale lijnen stelt een kettingdraad voor, de ruimte tussen 2 horizontale lijnen stelt een inslagdraad voor. Een bindingstekening van 10 ruitjes breed en 15 ruitjes hoog stelt een stukje weefsel voor met 10 kettingdraden en 15 inslagdraden. Elk ruitje is daarbij de kruising van een inslagdraad en een kettingdraad: als de kettingdraad boven de inslagdraad loopt tekenen we het ruitje vol (zwart), loopt de kettingdraad onder de inslagdraad door dan laten we het ruitje leeg.

Van een stukje weefsel zoals hiernaast, ziet de bindinstekening eruit als een dambord.
De eerste kettingdraad onderaan loopt boven de eertse inslag (links): dat wordt dan weergegeven door een vol ruitje op de bindingstekening, verder loopt die kettingdraad onder de tweede inslag (leeg ruitje op de bindingstekening), boven de derde inslag (vol ruitje), enz.
Kettingdraden worden altijd geteld van links naar rechts, inslagdraden soms van onder naar boven en soms van boven naar onder.

3. De doorhaling en betrapping

Om een weefsel te kunnen maken worden kettingdraden evenwijdig naast elkaar, opgespannen op een weefgetouw. De inslagdraden worden door de kettingdraden gevlochten, loodrecht erop. In het eenvoudigste geval kunnen we de inslagdraad door middel van een lange naald tussen de kettingdraden vlechten. Maar veel sneller gaat het wanneer de kettingdraden uiteen getrokken worden: bv. de onpare kettingdraden omhoog en de pare kettingdraden naar beneden. Zo wordt er een opening tussen de kettingdraden gevormd (de sprong, gaap of vakopening) waartussen we de inslagdraad, opgewonden op een spoel, kunnen steken of werpen.
Het omhoog en/of omlaag trekken van kettingdraden gebeurt d.m.v. hevels, dat zijn katoenen of metalen of kunststoffen lussen waar de kettingdraden door lopen. Die hevels worden niet één voor één naar boven getrokken. Ze zijn met een aantal samen aan een lat of kader (een schacht) vastgemaakt. Alle kettingdraden die in een weefsel altijd samen werken, d.w.z. die altijd samen omhoog moeten of samen onder moeten voor het maken van een inslag, noemen we gelijkwerkende kettingdraden. Gelijkwerkende kettingdraden kunnen doorgehaald worden door hevels die samen op dezelfde schacht zitten.
In het weefselvoorbeeld hierboven zijn er 2 schachten nodig: op de ene schacht worden de onpare draden doorgehaald, op de tweede schacht worden de pare draden doorgehaald.
Een schacht wordt in het schema voorgesteld door de ruimte tussen 2 horizontale lijnen onder de bindingstekening. In dit voorbeeld: de twee rijen ruitjes horizontaal onder de tekening, aangeduid met 1 en 2, stellen de 2 schachten voor die nodig zijn in dit schema. De eerste kettingdraad wordt doorgehaald in een hevel op de eerste schacht (aangeduid door een O), de tweede kettingdraad in een hevel op de tweede schacht, de derde kettingdraad terug op eerste schacht, de vierde op de tweede, enz. Alle O's op dezelfde horizontale lijn zijn hevels op één schacht, door zo'n hevel gaat de kettingdraad van de bindingstekening erboven. Alle kettingdraden op schacht 1 (hier de onpare draden) zullen dus altijd samenwerken in het weefsel, je kan geen inslag maken met de helft van de draden van schacht 1 omhoog en de andere helft van schacht 1 omlaag.
De manier waarop de kettingdraden in de schachten zijn doorgehaald noemen we de doorhaling, inrijging of kamrijging.
Rechts naast de bindingstekening worden de trappers of hefbomen, waarmee de schachten bewogen worden, schematisch weergegeven door de ruimte tussen 2 vertikale lijnen. Daarop wordt naast iedere inslag aangeduid welke trapper moet ingeduwd worden. Waar in het schema de rijen ruitjes, die de trappers voorstellen, kruisen met de rijen ruitjes die de schachten voorstellen, duiden we aan met een kruis met welke schacht of schachten een trapper verbonden is. Dit noemen we de aanbinding of snoering. In dit voorbeeld is trapper 1 verbonden met schacht 1 en trapper 2 met schacht 2. Als elke trapper of hefboom verbonden is met één schacht, dan spreken we van een 'vaste aanbinding'.
Als een trapper of hefboom wordt ingeduwd gaan bij sommige weefgetouwen de schachten die ermee verbonden zijn omhoog (opgang), bij andere weefgetouwen gaan die schachten dan omlaag (neergang). Dit kunnen we best op het weefschema aanduiden.
In dit voorbeeld is 'opgang' aangeduid. Als we naar de onderste inslag van de bindingstekening kijken zien we dat die onder de eerste, derde en vijfde kettingdraad gaat (volle ruitjes), die kettingdraden moeten dus omhoog. We zien dat die kettingdraden alledrie doorgehaald zijn op schacht 1, die dus omhoog moet. Schacht 1 is verbonden met trapper 1: we duiden rechts naast de inslag met een 1 op de overeenstemmende trapper aan dat deze ingeduwd moet worden.
De volgende inslag gaat onder de pare kettingdraden die doorgehaald zijn op schacht 2, verbonden met trapper 2. Die kettingdraden moeten omhoog, daarvoor moet trapper 2 bediend worden, dit duiden we naast de inslag aan.
Het gedeelte van het schema waarin aangeduid wordt welke trappers voor welke inslag bediend moeten worden, noemen we betrapping, trapwijze of inslagvolgorde.
hevels hevels binding2 binding3
De bindingstekeningen hieronder laten zien dat de doorhaling ook boven de bindingstekening kan staan, en dat de doorhaling ook met streepjes, zwarte blokjes of cijfers kunnen aangeduid worden. De betrapping kan ook links van de bindingstekening staan en anders dan met getallen aangeduid worden. Het principe van het schema blijft altijd hetzelfde: de kettingdraden en trappers worden vertikaal getekend, de inslagen en de schachten horizontaal.
Wat wel soms verschilt is of de aanbinding geldt voor een opgang getouw, dan wel voor een neergang getouw. Het derde voorbeeld komt uit 'A Handweaver's Pattern Book' en daar zijn alle schema's voor neergang getekend.
bindingstekening bindingstekening bindingstekening

4. Doorhaling op meerdere schachten, meervoudige aanbinding

De bindingstekening hiernaast is 'linnenbinding', zoals de bovenstaande tekeningen. Hier zijn de kettingdraden in het schema doorgehaald op 4 schachten, terwijl 2 schachten voor deze binding volstaan. Op vele weefgetouwen staan standaard 4 schachten, en soms is het beter door te halen op 4 i.p.v. op 2 schachten, omdat zo de hevels op de schachten verder uit elkaar liggen.
Voor de onderste inslag moeten kettingdraden 1, 3, 5 en 7 omhoog. Draad 1 en 5 zitten op schacht 1 en draad 3 en 7 op schacht 2. Dus moeten voor deze inslag schacht 1 en 3 omhoog. Deze schachten zijn respectievelijk verbonden met trapper 1 en 3 (vaste aanbinding, zie kruisjes onder rechts). Op het schema is met de cijfers 1 en 3 rechts van de inslag, aangeduid dat deze trappers moeten bediend worden om deze inslag te maken.
Voor de volgende inslag komen kettingdraad 2, 4 ,6 en 8 omhoog, die op schachten 2 en 4 doorgehaald zijn. En die schachten worden bediend door trappers 2 en 4. Enzovoort.

Als verschillende schachten voor een inslag moeten bediend worden, kunnen deze schachten verbonden worden met één trapper (meervoudige aanbinding). Zo kan je in het volgende schema zien dat de 4 schachten bediend worden door 2 trappers. Schachten 1 en 3 zijn verbonden met trapper 1, schachten 2 en 4 zijn verbonden met trapper 2. Dat is aangeduid met kruisjes rechts onderaan het schema. Zo moet je telkens maar op 1 trapper duwen om elk van deze inslagen te weven.
bindingstekening bindingstekening bindingstekening

5. Basisinslag en patrooninslag


Laten we kijken naar een ander voorbeeld hiernaast. Dit weefsel heet monnikenrand. De bindingstekening vind je eronder.
Hier geen opeenvolgende doorhaling, maar een 'doorhaling in blokken'. In blok 1 zijn 4 kettingdraden afwisselend doorgehaald op schacht 1 en 2, in blok 2 zijn ze doorgehaald op schacht 3 en 4.
De onderste inslag gaat afwisselend onder en boven een kettingdraad: dit is een inslag in 'linnenbinding'. Voor de tweede inslag moeten schachten 1 en 2 omhoog en dus de eerste 4 kettingdraden (4 zwarte ruitjes naast elkaar). Schachten 3 en 4 blijven beneden (4 lege ruitjes naast elkaar in de bindingstekening) Dit laatste wil zeggen dat 4 kettingdraden naast elkaar onder eenzelfde inslag gaan, m.a.w. dat die inslag over 4 kettingdraden loopt. Die draad ligt dan een beetje losser bovenop het weefsel: dit noemen we een inslagvlotter. Waar er zwarte ruitjes naast elkaar in de bindingstekening liggen, zal er een inslagvlotter zijn op de onderkant van het weefsel.
De derde inslag loopt weer afwisselend boven en onder een kettingdraad: dit is weer een inslag in 'linnenbinding' (de inslag loopt ook tegengesteld t.o.v. de eerste inslag). De vierde inslag loopt zoals de tweede: de inslag vlot onder 4 kettingdraden, dan over 4 kettingdraden.
In deze monnikenrand noemen we de onpare inslagen, 'inslagen in linnenbinding', we noemen ze hier de basisinslagen. De even inslagen vormen vlottertjes, ze vormen hier de patrooninslag. Omdat de patrooninslagen minder 'binden' (minder kruisen met kettingdraden) zullen de basisinslagen door de aanslag dichter opeen komen te liggen (in vergelijking met het schema). Ze zullen écht een stevig basisweefsel in linnenbinding vormen, terwijl de patrooninslag blokjes met vlottertjes vormt. Voor deze patrooninslag gaan we dan een andere kleur gebruiken. Dat laat het volgende voorbeeld zien.
monnikenrand monnikenrand monnikenrand

6. Kleurbalken en kleurentekening

Het bovenste schema van een bindingstekening en de foto van een weefsel ernaast laten zien dat een bindingstekening niet het uitzicht van het weefsel weergeeft. Dit zou gedeeltelijk wel zo zijn, als je zwarte kettingdraden en witte inslagdraden gebruikt.
We kunnen een bindingstekening met doorhaling en betrapping verduidelijken door aan te geven welke kleur(en) we gebruiken voor de kettingdraden en de inslagdraden. Voor de kettingdraden kunnen we dit doen door onder de doorhaling, een gekleurd blokje te tekenen onder iedere kettingdraad. Voor de inslagdraden kunnen we dit doen rechts van de betrapping naast iedere inslagdraad. Deze blokjes vormen dan kleurbalken: horizontaal voor de ketting, vertikaal voor de inslag.
In het voorbeeld hiernaast zullen de kettingdraden licht groen zijn, de basisinslagen groen en de patrooninslagen donkergroen.
Deze kleuren kunnen we ook aangeven op de tekening van het weefsel: waar in de bindingstekening (zie vorig schema) een zwart ruitje is (ketting op), kleuren we het ruitje in de kleur van de overeenkomstige kettingdraad. Waar een leeg ruitje is (ketting neer, dus inslag op), kleuren we het ruitje in de kleur van de overeenkomstige inslagdraad. Zo krijgen we een tekening waarin niet meer aangegeven staat waar kettingdraden boven inslagdraden lopen, maar een tekening waarin de kleuren staan van de draden (ketting of inslag) die boven werken. Dit is dus geen bindingstekening meer maar een kleurentekening.
Zo'n kleurentekening geeft een beter beeld van het reële weefsel. Deze tekening stelt een detail (1 blokje) voor van de foto van de monnikenrand boven. Er wordt wel nog geen rekening gehouden met de dikte van de draden, met het verschil in dichtheid (aantal draden per cm) tussen ketting en inslag, met het feit dat vlottende draden dikwijls andere draden verstoppen.
Vooral in computerprogramma's voor weefsimulatie worden kleurentekeningen gebruikt. Als wevers handmatig een weefsel ontwerpen, zullen die eerder grijpen naar schematischer tekeningen (de kaarttekening) waarin vlakken met een bepaald weefeffect of kleur worden getekend, en niet draad per draad.
De volgende tekening is met het weefprogramma (MetaWeave) gemaakt en geeft een simulatie die rekening houdt met inslagdichtheid en dikte van de draden.
monnikenrand monnikenrand

7. Ontleed een bindingstekening

Als je een bindingstekening hebt, kan je die ontleden om te weten hoeveel schachten en trappers je nodig hebt, hoe je de kettingdraden moet doorhalen en welke schachten je moet bedienen voor de inslag. Die bindingstekening kan je eventueel maken aan de hand van een stukje weefsel, maar dat is niet zo gemakkelijk.
We gaan uit van de bindingstekening hieronder links.
Eerst de doorhaling. De theorie luidt: je hebt zoveel schachten nodig als er verschillend werkende kettingdraden zijn.
De 'werking' van de kettingdraad, daaronder verstaan we: hij gaat boven inslag zus en zo, onder die en die inslag. Kijk naar de eerste kettingdraad (links). Die gaat (van onder naar boven) over inslag 1, 3, 5, 7, 9 en 11. Alle ketingdraden die ook over inslag 1, 3, 5, 7, 9 en 11 gaan noemen we gelijkwerkende kettingdraden. En gelijkwerkende kettingdraden kunnen doorgehaald worden op dezelfde schacht. In dit voorbeeld: kettingdraad 1, 3, 7 en 9 werken gelijk en gaan we doorhalen op de eerste schacht. De tweede kettingdraad gaat over inslag 4, 5, 6, 10, 11 en 12, werkt m.a.w. anders dan de eerste en moeten we dus doorhalen op een andere schacht, neem schacht 2. Kettingdraad 3 zit al op schacht 1, kettingdraad 4 werkt tegenovergesteld van nr 3 en werkt ook verschillend van nr 2, dus doorhalen op een andere schacht: schacht 3. Kettingdraad 5 werkt ook anders dan de vorige draden: doorhalen op schacht 4. Alle volgende kettingdraden werken als éen van de vorige en worden dan op de respectievelijke schachten doorgehaald.

Naast de schachten teken je dan de aanbinding van schachten met trappers.
Hier een vaste aanbinding en opgang (als je op trapper 1 duwt gaat schacht 1 omhoog, met trapper 2 gaat schacht 2 omhoog, enz).
Dan de betrapping.
Voor de onderste inslag moeten kettingdraden 1, 3, 5, 7 en 9 omhoog (de zwarte ruitjes opd de bindingstekening). Draad 1, 3, 7 en 9 zitten op schacht 1 en draad 5 op schacht 4. Dus moeten voor deze inslag schacht 1 en 4 omhoog. Deze schachten zijn respectievelijk verbonden met trapper 1 en 4 . Op het schema wordt dit rechts van de onderste inslag aangeduid.
Voor de volgende inslag komen kettingdraad 4 ,5 en 6 omhoog, die op schachten 3 en 4 doorgehaald zijn. En die schachten worden bediend door trappers 3 en 4. Enzovoort.
Als je daarnaast ook linnenbinding (alle pare kettingdraden op of alle onpare draden op) wil weven, is het gebruikelijk dat je de onpare kettingdraden doorhaalt op de onpare schachten en de pare kettingdraden doorhaalt op de pare schachten.
Dat kan hier door de doorhaling van schacht 3 en 4 om te wisselen (pas de betrapping ook aan) zodat je linnenbinding kan weven met trapper 1 en 3 in te duwen voor de ene inslag, en trapper 2 en 4 voor de volgende inslag.
Dat kan je zien op de tweede tekening: de onderste 4 inslagen zijn in linnenbinding.
tekendoek tekendoek